“Reflection is a process of knowing how we know. It is an act of turning back upon ourselves […] We are keyed to action and not reflection, so that our personal life is generally blind to itself” – Humberto Maturana and Francisco Varela, 1987: 24.

As perhaps a derivative societal system connecting the law system with the religious system, scientific communication aims for truth while actually only connecting morals to God. The symbolic communication medium of truth heralds the presence of some yet unknown cause or purpose: why would it be purposeful, that is morally justified, for a person to lead a life? Ask the why- or how-question five times in a row and you will have to admit that ‘God’ is the only possible answer. Regardless of how erudite, ‘thickly’ described and persuasive a scientific writer delivers his product in the end he faces the common man offhandedly asking ‘So what?’. Nothing so what.

And the laws of science are merely explanations of events, and have no higher truth to them than a rational one; not one that goes beyond what is human and applies to the universe even without humans. And such a law would apply to the universe if it would defy human reason by becoming conscious of itself. But only God can do that. If he exists. And he would only if he could. And if he could only he would know his limit as that is the criteria for personality and consciousness. Thus if God exists he cannot be known.

The quoted description of reflection in the mind should prevent a person from bothering too much: he would be blind to who he is during his bothering – because of his bothering. From that angle reflection or ‘personal life to itself’ seems to bear a resemblance to, again, God.

Essay: na een maand Bloomington (en 1 week)

Er zijn definitief een paar dingen veranderd. Er is eigenlijk niets hetzelfde met vorig jaar augustus toen ik voor het eerst hier ging wonen. De hitte, de overweldigende nieuw-heid van nieuwe omgevingen, omdat ze nieuw zijn, zeg maar. (Dit terwijl ik luister naar het nummer Parallel Lines van Junior Boys.)

Dit bericht express eenvoudig begonnen om de lezer te grijpen. Op het vlak van de studie is er ook veel veranderd. Meer Ph.D.-achtig werk in de zin van papers tikken, in het verlengde van het paper Media Life, waarvan 1.0 vorig jaar oktober verscheen. “Het is O.K. om het te zeggen, zolang je maar niet denkt dat het ‘echt’ zo is” (vrije vertaling songtekst Junior Boys). Goed, zul je zeggen (direct aanspreken om het ‘jij’ te laten voelen), maar waar gaat het dan over?

En daarover wilde ik het nu net hebben, zie je. Dus heb ik je naar deze plek geleid om je de plaats van de Exodus te laten zien. De uitgang, de verlossing en de tocht naar het beloofde Geluk (wij mogen geluk met een hoofdletter schrijven omdat we nu eenmaal Nederland zijn), liggen ergens ook in media. Ergens, plaats, niet daar, hier. In door deze duidelijke, overduidelijke plaatsbepaling direct daaropvolgend de tijd. Als negatie van het zijn zelf. Van het zijn, dat zich voortdurend naar buiten toe beweegt. Centripetaal in de mechanicaleer.

Het Internet heeft duidelijk een voordeel bij een ontologie ten koste van de Grote Theorieen, of het idee dat alles relatief is. Als alles relatief is, kan dat op zichzelf niet ook relatief zijn. Daar steekt hem wat mij betreft de negatieve dialectiek in Nederlands dialect: alles heeft zijn keerzijde, maar de keerzijde zelf ook nog eens.

En juist door in te zien dat het een vrije keuze is om tijd te ervaren op de manier zoals je dat zelf wil *in principe*. Dit weekend (tijd) introduceer ik de documentaires Leipzig in the Fall (Leipzig im Herbst) en Eastern Landscapes (Oestliche Landschaften). Hier een uitsnede uit mijn speech van zondag:

In Eastern Landscape we look not back, but at a moment in time, meaning time doesn’t exist. We find ourselves in a dump that, sure enough, represents all that is left of the GDR. It is only our memories or associations that remind us of time. In my view director Eduard Schreiber makes an effort to create the sense of ‘lived time’ thus stressing the importance of the phenomenal realm that puts human subjective experience at the heart of temporality. Only in this way space  can have in time its momentum of an a-priori existence. It is how death has entered the scene, before and without a beginning or a scene: a distortion of time and place, an insufficiency of ‘the event’, as (its_ name), signifying rather than ‘occurring’. What appears here like a strain on logic, is the hiatus that holds apart and holds ‘together’ two irreconcilable worlds, two times, “non-coincidence intervening at the very point of coincidence” with Maurice Blanchot (1993). It did not come unexpectedly. It only came unexpectedly.

Ik denk daarbij dus alleen aan het vinden van oplossingen voor het dialectische probleem, namelijk uit te vinden hoe we gelukkig worden met het Internet, de digitale netwerken die half-geforceerd zijn, de digitale schaduwen die rondzwerven, op zoek naar zichzelf in de spiegel van de werkelijkheid, luisterend naar de echo van de eigen verdwijning, proberend de ontstane leegte te herkennen en toch open te houden.

De digitale schaduwen zijn te vergelijken met de identiteit, die we alle tijd al hadden. Stel jezelf gerust, geloof voor de verandering eens helemaal niets dan jezelf meer. Wacht gewoon, en daar is de comfortabele gedachte al gearriveerd. Stel je open voor het ‘in de wereld geworpen zijn’ (Heidegger) en het daardoor altijd al aanwezig zijn van de tijd, achter je ervaring. Dit is de vrijheid die je mogelijk kunt waarnemen, maar dat zou ik niet kunnen weten.**

Als je extern als intern ervaart, en het sociale netwerk buiten het beeldscherm om als extra/anders/alternatief begrijpt, dan blijf je introvert en dus gelukkig. Dat wil zeggen dat Geluk die keerzijde is van alles wat net niet begrepen kan worden.

(Dit als overblijfsel van hersenspinselen over de grondbeginselen van de Westerse politieke economie en een verdiept begrip van het bestaan van media over de afgelopen maand.)


*Hier een afgeleide van Schopenhauers vrijheid van de wil, wat zelf onvrijheid was, denken.
** De Nederlandse uitleg van Luhmanns grootste fout moet volgens mij – in navolging van Habermas, als dat mogelijk is – gevonden worden in de overlapping van zijn begrippen system/milieu en Ross Ashby’s distinction en zelfs Lyotard’s Le Differend. Zeg het alleen als je denkt dat het uiteindelijk niet ‘echt’ is, want dan ben je echt de weg kwijt. Degene die geen woorden te zeggen heeft, moet zijn mond houden – maar dan positief, als in objectief, bedoeld: het moet wel.